|
Rinus Kiel over Bijbel, cultuur en wetenschap Reageren? Zie home-page
====================================================== |
(Israël - volk en land) Israëls bezetting van de Palestijnse gebieden Nieuw 14/10/2002 - laatste update 01/03/2010
Hieronder een artikel over dit onderwerp dat ik graag op deze plaats wil publiceren. Zie voor kaartmateriaal de kaartjes bij het artikel over de staat Israël. Zie ook de pagina met artikelen van Nonie Darwish, een Arabische publiciste. --------------------------------------------------------------------- Hoezo
bezetting? door Prof. Efraim Karsh, hoofd Mediterrane Studies
aan Kings College, Universiteit van Londen
Inhoud: Hanan Ashrawi's kijk op de zaak Ontstaan van Israël geen bezetting van 'Palestina' De Arabische landen verdelen 'Palestina' onder elkaar De Arabieren kennen geen 'Palestijnse' staat noch een 'Palestijns' volk Israëls beheer geen onderdrukking Israëls terughoudendheid in de 'gebieden' Israëls beheer een zegen in economisch en welzijns-opzicht De gevolgen van Israëls terughoudendheid De PLO grijpt zijn kans om een terreurstaat te vestigen Israël trekt zich terug onder internationale druk Terrorisme omgekeerd evenredig met Israëls greep op de 'gebieden' Economische gevolgen van de terreur
Weinig onderwerpen zijn zo grondig vervalst als de recente geschiedenis van de Westbank en de Gaza-strook in Palestina vertaald door Rinus Kiel en opnieuw gepubliceerd op
deze website met toestemming van de schrijver en het blad ‘Commentary’ van
juli/augustus 2002, waarin het voor het eerst is gepubliceerd. De tussenkopjes
zijn van de vertaler, commentaar van de vertaler tussen {}.
Niets heeft de discussie over het Palestijns-Israëlisch conflict meer beheerst
dan het woord ‘bezetting’. Al tientallen jaren lang is er nauwelijks een dag
voorbij gegaan waarop in de media niet op een of andere manier sprake was van
Israëls veronderstelde onwettige aanwezigheid op Palestijnse grond. Deze
aanwezigheid wordt aangevoerd om het ontstaan en het voortbestaan van het
huidige conflict tussen de partijen te verklaren, om Israëls verondersteld
bruut en repressief karakter aan te tonen, en om de vreselijkste tegen Israël
gerichte terroristische wandaden te rechtvaardigen. Bezetting, om kort te gaan,
is een trefwoord geworden, en als zovele trefwoorden betekent ook dit
verschillende dingen voor verschillende mensen.
Voor de meeste westerse waarnemers duidt de uitdrukking ‘bezetting’ op Israëls
greep op de Gaza-strook en de Westbank, gebieden die het veroverde in de
Zesdaagse oorlog in juni 1967. Maar voor veel Palestijnen en Arabieren
vertegenwoordigt de Israëlische aanwezigheid in deze gebieden alleen maar het
laatste hoofdstuk in een ononderbroken geschiedenis van ‘bezettingen’, die
teruggaat tot op het ontstaan van Israël op ‘gestolen’ land. Als je een
boek over Israël gaat zoeken in de belangrijkste Arabische boekhandel op de
Charing Cross Road in Londen, dan zul je het vinden in de afdeling met het
opschrift ‘Bezet Palestina’. Dat dit de overheersende kijk op de zaak is,
niet alleen onder Arabische inwoners van de Westbank en de Gaza-strook, maar
onder alle Palestijnse inwoners van Israël en de rest van de wereld, wordt
duidelijk door de gebruikelijke nadruk op een Palestijns ‘recht van
terugkeer’, die het effect van de ‘bezetting van 1948’ – d.i. de
oprichting van de staat Israël – moet opheffen Palestijnse intellectuelen verdoezelen routinematig elk onderscheid tussen Israëls acties vóór en na 1967. De prominente Palestijnse culturele figuur Jacques Persiqian vertelde zijn Joodse lezers onlangs in het Israëlische dagblad Ha’aretz, dat de terroristische aanslagen van vandaag zijn ‘wat jullie zelf over je gehaald hebben na 54 jaar systematische onderdrukking van een ander volk’, een geschiedkundige beschouwing die – omdat zij teruggaat tot 1948 – niet alleen Israëls aanwezigheid in Westbank en Gaza-strook ter discussie stelt, maar de wettigheid van zijn bestaan als een staat.
Hanan
Ashrawi's kijk op de zaak
Hanan Ashrawi, de meest uitgesproken vertolker van de Palestijnse zaak,
was nog wat brutaler in het uitvlakken van de lijn tussen ‘bezettingen’ na
1967 en vóór 1967. Op de schandelijke Wereldconferentie tegen Racisme in
Durban in de zomer van 2002 zei ze tegen de deelnemers: “Ik kom vandaag
naar jullie toe met een bezwaard hart omdat ik een natie in gevangenschap achter
moest laten die gegijzeld wordt door een nog steeds voortdurende naqba (=
ramp)”.
“In 1948 werden we onderworpen aan een ernstige historische
onrechtvaardigheid, die ons tweemaal tot slachtoffer maakte: aan de ene kant de
onrechtvaardigheid van onteigening, verstrooiing en verbanning die met kracht
aan de bevolking werd opgelegd…. Aan de andere kant werden zij die bleven
onderworpen aan de systematische onderdrukking en brutaliteit van een
onmenselijke bezetting die hen al hun rechten en vrijheden ontroofde.”
Deze oorspronkelijke ‘bezetting’ – dat is, nogmaals, het ontstaan
en bestaan van de staat Israël – werd volgens Ashrawi later uitgebreid als
een gevolg van de Zesdaagse oorlog:
“De onzen die in 1967 onder de Israëlische bezetting kwamen,
kwijnden weg in de Westbank, Jeruzalem en de Gaza-strook onder een unieke
combinatie van militaire bezetting, kolonisatie en systematische onderdrukking.
Zelden heeft het menselijk brein zo’n gevarieerde, veelzijdige en alomvattende
methode van brutalisering en vervolging op grote schaal bedacht.” Samengevat: de beschuldigingen tegen Israëls verschillende ‘bezettingen’ vertegenwoordigen – en zijn duidelijk bedoeld als – een aanklacht tegen en een vervloeking van de hele Zionistische onderneming. Maar tot in vrijwel elk detail zijn zij ook op een grove manier onjuist.
Ontstaan
van Israël geen bezetting van 'Palestina'
In 1948 werd er geen Palestijnse staat binnengevallen of
vernietigd om ruimte te maken voor de vestiging van Israël. Van bijbelse tijden
af, toen dit gebied de natie van de Joden was, tot aan de bezetting door het
Britse leger aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, had Palestina nooit
bestaan als een aparte politieke eenheid maar was integendeel opgenomen in het
ene rijk na het andere, vanaf de Romeinen, via de Arabieren, tot en met het
Ottomaanse regime. Toen de Britten in 1917 arriveerden, was de directe
loyaliteit van de bewoners van het gebied lokaal – clan, stam, dorp, stad of
religieuze secte – en bestond naast hun trouw aan de Ottomaanse sultan-kalief
als het religieuze en tijdelijke hoofd van de wereld-Moslimgemeenschap.
Onder een mandaat van de Volkenbond, dat expliciet bedoeld was om de weg
te effenen voor de schepping van een Joods nationaal tehuis, introduceerden de
Britten voor de eerste maal {in de geschiedenis} de notie van een
onafhankelijk Palestina, en stelden haar grenzen vast. Toen de Britten in 1947
werden geconfronteerd met een vastbesloten Joodse strijd voor onafhankelijkheid,
gaven ze het mandaat terug aan de opvolger van de Volkenbond, de Verenigde
Naties, die op hun beurt op 29 november 1947 beslisten om het mandaatgebied
Palestina op te delen in twee staten: de ene Joods, de andere Arabisch. De staat Israël is dus ontstaan als gevolg van een internationaal erkende daad van nationale zelfbeschikking, een daad, bovendien, ondernomen door een oud volk in zijn eigen thuisland. In overeenstemming met de algemene democratische praktijk, werd de Arabische bevolking die binnen de grenzen van de nieuwe staat woonde, onmiddellijk erkend als een wettige etnische en religieuze minderheid. Het grondgebied van de voorgestelde Arabische staat zou onder andere omvatten de twee gebieden die vandaag betwist worden, nl. de Gaza-strook en de Westbank (met uitzondering van Jeruzalem, dat onder internationaal bestuur zou komen).
Zoals bekend werd de uitvoering van het UN verdelingsplan voortijdig
afgebroken door de poging van de Palestijnen samen met de omringende Arabische
staten om de Joodse staat al bij zijn geboorte te vernietigen. Maar wat minder
bekend is: zelfs als de Joden de oorlog verloren zouden hebben, dan zou hun
gebied niet aan de Palestijnen zijn toegevallen. Het zou integendeel verdeeld
zijn geworden tussen de invallende Arabische machten, om de doodeenvoudige reden
dat geen enkele van de Arabische regimes in die regio de Palestijnen zagen als
een aparte natie. Zoals de eminente Arabisch-Amerikaanse historicus Philip Hitti
de gemeenschappelijke Arabische kijk uiteenzette tegenover de Anglo-Amerikaanse
commissie van onderzoek in 1946: “Er is niet zoiets als een Palestina in de
geschiedenis, niet in het minst!”
Dit feit werd duidelijk onderkend door de Britse autoriteiten aan de
vooravond van hun vertrek. Zoals een ambtenaar opmerkte in december 1947: “Het
ziet er niet naar uit dat Arabisch Palestina ooit zal bestaan, maar veeleer dat
de Arabische landen elk een gedeelte zullen claimen als beloning voor hun
aandeel [in de {komende} oorlog tegen Israël], tenzij [de
Transjordaanse] koning Abdullah snelle en gerichte actie onderneemt zodra de
Britse terugtrekking is voltooid”. Enkele maanden later informeerde de Britse
Hoge Commissaris voor Palestina, generaal Sir Alan Cunningham, de Minister van
Koloniën, Arthur Creech Jones dat “de meest aannemelijke regeling zou zijn,
dat Syrie oostelijk Galilea zou krijgen, Abdullah Samaria en Hebron, en Egypte
het zuiden” {zie kaartje 3 bij de staat
Israël}. De Britten hadden kennelijk een vooruitziende blik. Egypte noch Jordanië gunden de Palestijnen zelfbeschikking in Gaza en de Westbank; dat waren resp. de stukken van Palestina die door hen waren veroverd in de oorlog van 1948/49. En zelfs resolutie nr. 242 van de UN Veiligheidsraad, die na de Zesdaagse oorlog van 1967 het principe van ‘land voor vrede’ vaststelde als de hoeksteen van toekomstige Arabisch-Israëlische vredesbesprekingen, voorzag geen vestiging van een Palestijnse staat. Integendeel: omdat de Palestijnen nog steeds niet werden gezien als een aparte natie, werd verondersteld dat elk gebied dat Israël zou ontruimen, terug zou gaan naar zijn Arabische bezetters van vóór 1967 – Gaza naar Egypte en de Westbank naar Jordanië. De resolutie noemde de Palestijnen zelfs niet bij naam, maar bevestigde in plaats daarvan de noodzaak 'voor een rechtvaardige oplossing van het vluchtelingenprobleem' – een term die niet alleen sloeg op de Palestijnen maar ook op de honderdduizenden Joden die uit Arabische staten waren verdreven als gevolg van de oorlog van 1948.
De
Arabieren kennen geen 'Palestijnse' staat noch een 'Palestijns' volk
In die tijd – het einde van de 1960-er jaren – werd het bestaan van
Palestina als een natie afgewezen door de hele internationale gemeenschap,
inclusief de westerse democratieën, de Sovjet-Unie (de kampioen supporter van
het radicale Arabisme) en de Arabische wereld zelf. ‘Gematigde’ Arabische
heersers als de Hashemieten in Jordanië zagen een onafhankelijke Palestijnse
staat als een dodelijke bedreiging voor hun eigen koninkrijk, terwijl de
Saoedi’s het zagen als een potentiële bron van extremisme en onstabiliteit.
Pan-Arabische nationalisten waren niet minder mordicus tegen, omdat ze hun eigen
doelen voor die regio in gedachten hielden. Nog in 1974 noemde president Hafez
al-Assad van Syrië Palestina openlijk als “niet alleen een deel van het
Arabische thuisland maar een onverbrekelijk deel van zuidelijk Syrië”; er is
geen reden om te denken dat hij er bij zijn dood in het jaar 2000 anders over
dacht.
Maar ook de bevolking van Westbank en Gaza-strook beschouwde zich niet
als een aparte natie. De ineenstorting en verstrooiing van de Palestijnse
gemeenschap, volgend op de nederlaag van 1948, had de altijd al fragiele
gemeenschapsstructuur versplinterd, en de daarop volgende fysieke scheiding van
de verschillende delen van de Palestijnse diaspora voorkwam de ontwikkeling van
een nationale identiteit. De omringende Arabische regimes spanden actief samen
om het opkomen van zo’n idee te ontmoedigen. Nadat hij in de oorlog van 1948
de Westbank bezet had, was koning Abdullah er als de kippen bij om alle sporen
van een mogelijke Palestijnse identiteit uit te wissen. Op 4 april 1950 werd het
gebied formeel geannexeerd door Jordanië, zijn inwoners werden Jordaanse
burgers en ze werden in toenemende mate geïntegreerd in de economische,
politieke en sociale structuren van het koninkrijk. Van zijn kant had had de Egyptische regering geen verlangen getoond om de Gaza-strook te annexeren maar regeerde het nieuw verworven gebied als een bezette militaire zone. Dit hield echter niet in dat er enige ondersteuning was van een Palestijns nationalisme of van enige soort van gemeenschappelijke politieke bewustwording onder de Palestijnen. De bevolking daar werd stevig in de greep gehouden, haar werd het Egyptische burgerschap onthouden, en zij was onderworpen aan strenge restricties wat reizen betreft.
Israëls
beheer geen onderdrukking
Wat gebeurde er in de periode na 1967, toen deze gebieden over gingen in
Israëls handen? Is het werkelijk waar dat de Palestijnen in de Westbank en de
Gaza-strook toen het slachtoffer werden van de “gevarieerde, veelzijdige en
alomvattende methoden van brutalisering en vervolging op grote schaal”, ooit
bedacht door het menselijk brein?
Niet in het minst. Zo’n kwalificatie zou betekenen dat we onze afkeer
van enkele goed-gedocumenteerde 20e eeuwse gebeurtenissen een heel
eind naar beneden zouden moeten bijstellen, van de slachting onder de Armeniërs
in de Eerste Wereldoorlog en later, tot de griezelige kroniek van de tientallen
en tientallen millioenen de vermoord werden, opgejaagd en verpletterd onder de
hielen van despoten. In sterk contrast tot dit alles staat, dat er in de drie
decennia van Israëls bestuur veel minder Palestijnen werden gedood door
Joodse handen dan door koning Hoessein van Jordanië in die ene maand september
1970, toen hij een poging van Yasser Arafat en zijn PLO om zijn koningschap te
vernietigen afsloeg en daarbij (volgens de Palestijnse geleerde Yezid Sayigh)
tussen de 3.000 en 5.000 Palestijnen van kant liet maken, waaronder 1.500 tot
3.500 burgers. Evenzo overstijgt het aantal onschuldige Palestijnen dat gedood
werd door hun Kuweitse gastheren in de winter van 1991 voor hun support van
Saddam Husseins brutale bezetting van Kuweit, verre dat van Palestijnse
oproerkraaiers en terroristen, die hun leven lieten in de eerste intifada tegen
Israël gedurende de tweede helft van de 1980-er jaren. Afgezien van zulke grove vergelijkingen, is het voorstellen van de Israëlische bezetting van Westbank en Gaza-strook als ‘systematische onderdrukking’ de omkering van de waarheid. We moeten ons allereerst realiseren dat deze ‘bezetting’ niet het gevolg was van een soort groots expansionistisch ontwerp maar veeleer toevallig ontstond ten gevolge van Israëls succes tegen een pan-Arabische poging om het te vernietigen. Toen de Israëlisch-Egyptische vijandelijkheden begonnen op 5 juni 1967 probeerde de Israëlische regering in het geheim koning Hoessein van Jordanië – de feitelijke machthebber in de Westbank – er van te overtuigen, geen militaire actie te ondernemen; maar dit pleidooi werd afgewezen door de Jordaanse monarch die geen zin had om de verwachte buit van wat gezien werd als de ‘laatste ronde’ van de Arabieren tegen Israël aan zijn neus voorbij te zien gaan.
Israëls
terughoudendheid in de 'gebieden'
Zo gebeurde het dat aan Israël bij het einde van het conflict onverwacht
en onbedoeld het beheer over rond één millioen Palestijnen ten deel viel,
terwijl het geen idee had over hun toekomstige politieke status noch een
concreet beleid voor hun bestuur. De enige doelstelling die door de toenmalige
minister van Defensie, Moshe Dayan, in die na-oorlogse tijd werd gehanteerd was,
om het normale leven in die gebieden voort te laten gaan door middel van een mix
van economische injecties en een minimum aan Israëlische interventie. De
gedachte was om de lokale bevolking de vrijheid te laten om zichzelf te regeren
zoals zij wensten, en hen de mogelijkheid te geven om geregeld contact te hebben
met de Arabische wereld door middel van de bruggen over de Jordaan. In scherp
contrast met bijv. de Amerikaanse bezetting van het naoorlogse Japan, waar een
algemene censuur over alle Japanse media en een alomvattende revisie van
schoolboeken en leermiddelen werd doorgevoerd, deed Israël geen poging om de
Palestijnse cultuur te hervormen. Het beperkte zijn toezicht op de Arabische
pers in de gebieden tot militaire en veiligheids-zaken, en liet in de lokale
scholen het verdere gebruik van Jordaanse tekstboeken toe, die bol stonden van
walgelijke antisemitische en anti-Israël propaganda. Israëls terughoudendheid in dit opzicht – die uiteindelijk dramatisch verkeerd uitpakte – is maar één deel van het verhaal. Het andere, grotere, deel, dat nog steeds niet in alle details is verteld, is dat van de verbazingwekkende sociale en economische vooruitgang van de Palestijnse Arabieren onder Israëls ‘onderdrukking’. Bij het begin van de bezetting waren de omstandigheden in de gebieden gruwelijk. De levensverwachting was laag; ondervoeding, infectieziekten en kindersterfte waren alomtegenwoordig. Vóór 1967 had minder dan 60 percent van de mannelijke bevolking werk, en de werkloosheid onder de vluchtelingen lag rond de 83 procent. Al korte tijd na de oorlog had de Israëlische bezetting geleid tot dramatische verbeteringen in het algemene welzijn, wat de bevolking van die gebieden een voorsprong gaf op de meeste van hun Arabische buurvolken.
Israëls
beheer een zegen in economisch en welzijns-opzicht
Op economisch gebied was het grootste deel van deze vooruitgang te danken
aan hun toegang tot de veel grotere en verder ontwikkelde Israëlische economie:
het aantal Palestijnen dat in Israël werkte steeg van nul in 1967 naar 66.000
in 1975 en 109.000 in 1986, dat is ongeveer 35 procent van de werkende bevolking
van de Westbank en 45 procent van die in de Gaza-strook. Bijna 2.000 bedrijven
werden in die gebieden gevestigd en gaven werk aan zowat de helft van de
werkende bevolking daar.
Gedurende de 1970-er jaren bezetten de Westbank en Gaza-strook de vierde
plaats op de wereldranglijst van snelst-groeiende economieën, nog vóór zulke
‘wonderen’ als Singapore, Hong Kong en Zuid-Korea, en een heel eind vóór
Israël zelf. Hoewel het Bruto Nationaal Product per hoofd van de bevolking
(BNPc) wat langzamer groeide, was die groei toch nog hoog naar internationale
standaards, waarbij het BNPc vertienvoudigde tussen 1968 en 1991, van $ 165 naar
$ 1.715 (vergelijk Jordanië $ 1.050, Egypte $ 600, Turkije $ 1.630 en Tunesië
$ 1.440). In 1999 was het Palestijnse BNPc vrijwel tweemaal dat van Syrië, meer
dan viermaal dat van Jemen en 10 procent hoger dan dat van Jordanië (een van de
beste Arabische staten). Alleen de olierijke Golfstaten en Libanon waren
welvarender.
Onder het Israëlische beheer maakten de Palestijnen ook grote voortgang
in sociaal welzijn. Misschien wel het meest opvallend was dat de sterftecijfers
in de Westbank en de Gaza-strook met 2/3 omlaag gingen tussen 1970 en 1990,
terwijl de levensverwachting omhoog ging van 48 jaar in 1967 tot 72 in 2000 (in
vergelijking met een gemiddelde van 68 jaar voor alle landen van het
Midden-Oosten en Noord-Afrika). Iraëlische medische programma’s reduceerden
de kindersterfte van 60 per 1000 levensgeborenen in 1968 tot 15 per 1000 in het
jaar 2000 (in Irak is dat 64, in Egypte 40, In Jordanië 23, in Syrië 22). En
door een systematisch inentingsprogramma werden kinderziekten als polio,
kinkhoest, tetanus en mazelen uitgeroeid.
Niet minder opvallend was de vooruitgang in de levensstandaard van de
Palestijnen. In 1986 had 92,8 procent van de bevolking in Westbank en
Gaza-strook ononderbroken elektriciteit, tegen 20,5 procent in 1967; 85 procent
had stromend water tegen 16 procent in 1967; 83,5 procent kookte elektrisch of
op gas tegen 4 procent in 1967; en hetzelfde geldt voor koelkasten, TVs en
auto’s. Tenslotte, wat misschien het meest treffend is: gedurende de twee decennia die aan de intifada aan het eind van de 1980-er jaren vooraf ging steeg het aantal schoolkinderen met 102 procent en het aantal schoolklassen met 99 procent, terwijl de bevolking zelf met slechts(!) 28 procent groeide. Nog dramatischer was de vooruitgang in het hoger onderwijs. Toen Israël deze gebieden onder beheer kreeg, bestond er geen enkele universiteit. In het begin van de 1990-er jaren waren er zeven van zulke instituten, die zo’n 16.500 studenten herbergden. Analfabetisme liep terug tot 14 procent onder volwassenen boven 15 jaar, vergeleken met 69 procent in Marokko, 61 procent in Egypte, 45 procent in Tunesië en 44 procent in Syrië.
De
gevolgen van Israëls terughoudendheid Dit alles – zoals ik heb aangegeven – vond plaats tegen de achtergrond van Israëls ‘hands-off’ beleid in de politieke en bestuurlijke sfeer. Zelfs toen de PLO (tot 1982 gevestigd in Libanon en daarna in Tunesië) zijn doorgaande toewijding aan de vernietiging van de Joodse staat afkondigde, deden de Israëli's verrassend weinig om zijn politieke invloed in de gebieden te beperken. De publicatie van pro-PLO hoofdartikelen in de lokale pers was toegestaan, en anti-Israël activiteiten door PLO-supporters werden toegelaten zolang die geen openlijke aansporingen tot geweld bevatten. Israël stond ook het vrije verkeer van door de PLO beheerde fondsen toe, een beleid dat Minister van Defensie Ezer Weizmann in 1978 verdedigde met de volgende (misleidende) woorden: “Het geeft niet dat zij geld krijgen van de PLO, zo lang zij er maar geen wapenfabrieken van bouwen”. Ook moedigde Israël niet de vorming van Palestijnse politieke instituties aan, die een tegenwicht tegen de PLO zouden kunnen vormen, enkele uitzonderingen daargelaten. Het gevolg was dat de PLO zich langzaam aan in de gebieden vestigde als de overheersende macht daar, zodat het pragmatische traditionele leiderschap naar de periferie van het politieke systeem werd verbannen.
De PLO
grijpt zijn kans om een terreurstaat te vestigen
Als we kijken naar de extreme en eigenlijk zelfvernietigende laksheid van
Israëls bestuurlijk beleid, is het opvallend dat het nog zolang geduurd
heeft voordat de PLO erin geslaagd was, de bewoners van de Westbank en de
Gaza-strook te verleiden tot de volksopstand tegen de Joodse staat. Hier moeten
Israëls maatregelen tegen oproer genoemd worden, alsook het lage niveau van
nationaal bewustzijn onder de Palestijnen en de enorme snelheid en omvang van de
verbeteringen in hun levensstandaard. Een feit blijft echter dat er in de 25
jaar vanaf de bezetting tot de start van het Oslo-vredesproces in 1993 zeer
weinig ‘gewapend verzet’ was, en dat de meeste terroristische aanslagen van
buiten de gebieden kwamen: vanuit Jordanië tot eind van de 1960-er jaren en
vervolgens vanuit Libanon.
In een poging om deze verontrustende omstandigheid te verdoezelen,
adopteerde Al-Fatah, de grootste organisatie binnen de PLO, de slagzin:
“er is
geen verschil tussen binnen en buiten (de gebieden)”. Maar er was wel degelijk
een verschil, en een tamelijk fundamenteel zelfs. Over het algemeen wilden de
bewoners van de gebieden verder gaan met hun leven en gebruik blijven maken van
de mogelijkheden die het Israëlisch bestuur hen bood. Zou de Westbank eventueel
aan Jordanië zijn teruggegeven, dan zouden zijn inwoners waarschijnlijk weer
Jordaanse burgers zijn geworden, wat zij ook al waren vóór 1967. Maar als Israël
de opkomst van de invloed van de PLO in de gebieden zou hebben voorkomen, dan
zou er mogelijk een lokaal leiderschap zijn opgekomen dat beter was afgestemd op
de belangen en wensen van de mensen en meer geneigd tot vreedzaam samenleven met
Israël.
Maar dat gebeurde niet. Rond het midden van de 1970-er jaren had de PLO
zichzelf opgeworpen tot de ‘enige vertegenwoordiger van het Palestijnse
volk’ en niet lang daarna trokken Jordanië en Egypte hun handen terug van de
Westbank en de Gaza-strook. Wat ook de verlangens van de bevolking in die
gebieden mochten zijn, de PLO had vanaf het ogenblik van zijn onstaan in het
midden van de 1960-er jaren – ruim voor de oorlog van 1967 – geroepen dat
het zijn ‘revolutie tot de overwinning’ zou voeren. En dat betekende de
vernietiging van de Joodse staat. Eenmaal zijn positie veiliggesteld, heeft het
exact dat geprobeerd. Rond het midden van de 1990-er jaren had de PLO – dank zij Oslo – een stevige voet aan de grond in de Westbank en Gaza. Officieel heette het dat de PLO het fundament voor een Palestijnse staat zou leggen, maar zijn feitelijke doel was om datgene te doen waarin het goed was, namelijk het opzetten van een omvangrijke terroristische infrastructuur en deze te gebruiken tegen zijn Israëlische ‘vredespartner’. In het begin gebeurde dit nog min of meer verborgen, door groen licht te geven aan andere terroristische organisaties zoals Hamas en de Islamitische Jihad, maar na enige tijd opereerde het openlijk en direct.
Israël
trekt zich terug onder internationale druk
Maar wat had dit allemaal te maken met Israëls ‘bezetting’? De
verklaring die in 1993 op het gazon van het Witte Huis door de PLO en de Israëlische
regering werd ondertekend, voorzag in een Palestijns zelfbestuur in de hele
Westbank en de Gaza-strook voor een overgangsperiode van niet meer dan vijf
jaar, gedurende welke tijd Israël en de Palestijnen over een permanent
vredesverdrag zouden onderhandelen. Gedurende deze interim-periode zouden de
gebieden worden bestuurd door een Palestijnse Nationale Raad die vrij en
democratisch gekozen moest worden nadat Israëls strijdkrachten waren
teruggetrokken uit zowel de Gaza-strook alsook de bevolkte gebieden van de
Westbank.
In mei 1994 had Israël zich teruggetrokken uit de Gaza-strook
(met uitzondering van een smalle strook waarin Israëlische nederzettingen) en
het gebied rond Jericho op de Westbank. Op 1 juli {1994} hield Arafat
zijn triomfantelijke intocht in Gaza. Op 28 september 1995 tekenden de twee
partijen een interim overeenkomst, ondanks Arafats treurige falen om de
terroristische activiteiten in te dammen in de gebieden die nu onder zijn beheer
stonden. Aan het einde van dat jaar waren de Israëlische strijdkrachten
teruggetrokken uit de bevolkte gebieden van de Westbank met uitzondering van
Hebron (waar de terugtrekking voltooid werd in het begin van 1997). Op 20
januari 1996 werden er verkiezingen gehouden voor de Palestijnse Nationale Raad
en kort daarna werden zowel het Israëlisch burgerlijk bestuur alsook het
militaire gezag ontbonden.
De geografische reikwijdte van deze Israëlische terugtrekkingen was
betrekkelijk beperkt; het overgedragen territorium bedroeg zo’n 30 procent van
het totale territorium van de Westbank. Maar zijn invloed op de Palestijnse
bevolking was niet minder dan revolutionair. In één klap gaf Israël het
beheer over nagenoeg alle 1,4 millioen inwoners van de Westbank uit handen.
Vanaf die tijd leefde bijna 60 procent van hen – in het gebied van Jericho en
de steden Jenin, Nablus, Tulkarm, Qalqilya, Ramallah, Bethlehem en Hebron –
geheel onder Palestijns gezag. De andere 40 procent woonden in stadjes, dorpen,
vluchtelingenkampen en gehuchten waar de Palestijnse Nationale Autoriteit het
burgerlijk gezag uitoefende maar waar Israël – in overeenstemming met de
Oslo-accoorden – ‘de uiteindelijke verantwoordelijkheid heeft voor de
veiligheid’. Rond twee procent van de bevolking van de Westbank – enkele
tienduizenden Palestijnen – woonden in gebieden waar Israël nog het complete
gezag uitoefent, maar zelfs daar oefent de Palestijnse Nationale Autoriteit
‘functioneel gezag’ uit. Samenvattend: sinds het begin van 1996 en zeker na de complete terugtrekking uit Hebron in januari 1997 leeft 99 procent van de Palestijnse bevolking van Westbank en Gaza-strook niet meer onder Israëlische bezetting. Geen enkele manipulatie van woorden en begrippen kan het anti-Israël geweld dat in die jaren uit deze gebieden opwelde kwalificeren als verzet tegen vreemde overheersing. Zo’n overheersing of bezetting is er in die jaren niet geweest.
Terrorisme
omgekeerd evenredig met Israëls greep op de 'gebieden'
De koppige Palestijnse volharding in het terrorisme is dus niet toe te
schrijven aan voortdurende bezetting. Want veel van de ergste gewelddaden tegen
Israëlische burgers vonden niet plaats op ogenblikken van verstoring in het
Oslo ‘vredesproces’ – volgens de mantra van de Palestijnse woordvoerders
en hun trawanten – maar juist op de hoogtepunten, als het vooruitzicht van
Israëls terugtrekking het meest nabij scheen.
Zelfmoordaanslagen werden bijvoorbeeld geïntroduceerd in de atmosfeer
van euforie, slechts enkele maanden na de historische handdruk van Rabin en
Arafat op het gazon van het Witte Huis: acht mensen werden vermoord in april
1994 toen ze in een bus zaten in de stad Afula. Zes maanden later werden 21 Israëli’s
vermoord in een bus in Tel Aviv. In het daarop volgende jaar eisten vijf
aanslagen het leven van nog eens 38 Israëli’s. Gedurende de korte regering
van de duif Shimon Peres (november 1995-mei 1996) werden, na de moord op Yitzhak
Rabin, nog eens 58 Israëli’s vermoord binnen één week, in drie
zelfmoordbombardementen in Jeruzalem en Tel Aviv. Nog verder wordt deze ‘standaard’ zienswijze ondermijnd door het feit dat het terrorisme grotendeels tot een eind kwam na de verkiezing van Benjamin Netanyahu in mei 1996 en de daarop volgende vertraging in het Oslo-proces. Tijdens Netanyahu’s drie regeringsjaren werden ongeveer 50 Israëli’s vermoord in terroristische aanslagen, {17 per jaar} dat is één derde van die verhouding tijdens Rabins regering {45 per jaar} en één zesde van die tijdens Peres’ regering {99 per jaar}.
Economische
gevolgen van de terreur
Er is ook een materiële kant aan dit afglijden in terrorisme. Tussen
1994 en 1996 hadden de regeringen van Rabin en Peres herhaalde afsluitingen
opgelegd aan de gebieden om de vloedgolf van terrorisme volgend op de
Oslo-accoorden te keren. Dit leidde tot een snelle afbraak van de Palestijnse
economie. Doordat arbeiders niet meer in Israël konden gaan werken, steeg de
werkloosheid snel, tot zo’n 50 procent in Gaza. Het goederenverkeer tussen
Israël en de gebieden, alsook tussen Westbank en Gaza-strook werd nam
dramatisch af, waardoor de export werd vertraagd en potentiële particuliere
investeerders werden afgeschrikt. De economische situatie in de gebieden begon te verbeteren tijdens de regering van Netanyahu, omdat de snelle afname van het terrorisme aanleiding gaf tot opheffing van een aantal afsluitingen. Het reële BNPc groeide 3,5 procent in 1997, 7,7 procent in 1998 en 3,5 procent in 1999, terwijl de werkloosheid werd gehalveerd. Aan het begin van 1999 was de economie in Westbank en Gaza-strook volledig hersteld, volgens de Wereldbank.
Toen, bij weer een ander keerpunt, trad Ehud Barak aan, die in de loop
van een wervelende zes maanden in eind 2000 en begin 2001 aan Yasser Arafat een
definitief einde van de Israëlische aanwezigheid toezegde, die vrijwel de hele
Westbank en de Gaza-strook aan de wordende Palestijnse staat aanbood, samen met
nog enkele stukken van Israëls grondgebied, en die adembenemende concessies
deed betreffende Israëls hoofdstad Jeruzalem. Echter, Arafats antwoord
was: oorlog. Sinds die begon, heeft de Palestijnse campagne duizenden brute
aanslagen op Israëls burgers uitgevoerd – zelfmoordaanslagen, beschietingen
in het voorbijrijden, messteken, lynchpartijen en stenigingen – waardoor meer
dan 500 mensen werden vermoord en rond 4.000 gewond.
In de twee decennia van Israëls bezetting voorafgaande aan de
Oslo-accoorden, werden zo’n 400 Israëli’s vermoord, en sinds de
ondertekening van dat ‘vredesverdrag’ verloren nog eens tweemaal zoveel
mensen hun leven in terroristische aanslagen. Als de bezetting de oorzaak van het terrorisme is,
waarom was het dan redelijk zeldzaam gedurende jaren van werkelijke bezetting,
waarom namen ze dan toe in het vooruitzicht van het einde aan de bezetting, en
waarom escaleerde het in een openlijke oorlog na Israëls meest
ver-strekkende concessies ooit? Het is in tegendeel veel waarschijnlijker dat
het ontbreken van bezetting – nl. het beëindigen van de nauwlettende Israëlische
surveillance – de belangrijkste oorzaak is geweest van het ontstaan van de
terroristenoorlog. Er zijn grenzen aan Israëls bekwaamheid om een kwaadaardige vijand in een vredespartner om te turnen, en die grenzen zijn al lang bereikt. Om Baruch de Spinoza te citeren: vrede is niet de afwezigheid van oorlog, maar veel meer een geesteshouding: een toeneiging naar weldoen, vertrouwen en gerechtigheid. Vanaf de dag dat de Zionistische beweging werd geboren tot op de dag van vandaag is deze geesteshouding opvallend afwezig geweest in de geest van de Palestijnse leiders.
Niet de bezetting in 1967 leidde tot de Palestijnse afwijzing van
een vreedzaam samenwonen en tot hun jagen naar geweld. Palestijns terrorisme
begon al lang voor 1967 en ging voort, en verhevigde, nadat de bezetting
eindigde. Wat er werkelijk aan de hand is, is de blijvende Arabische opvatting
dat het ontstaan van de Joodse staat zelf een oorspronkelijke daad van
‘onmenselijke bezetting’ is, en hiermee is elk soort van compromis buiten
het gebied van het mogelijke komen liggen. Zolang deze gezindheid niet
verandert, dat is: zolang er niet een nieuw leiderschap opkomt, zal de idee van
vrede in de context van het Arabische Midden-Oosten niets anders betekenen dan
de voortzetting van de oorlog onder een andere naam. --------------------------------------------------------------------- Naschrift van de vertaler: Het religieuze aspect van het conflict is door de schrijver volledig buiten beschouwing gelaten. Toch is dat m.i. de onderliggende oorzaak van het conflict. Zie mijn artikel over de staat Israël.
|