Profetieën zijn door God
geïnspireerd, dat geloof ik. Een van de problemen bij het begrijpen ervan is,
dat ze gesproken zijn in taal en beelden van die tijd. Dat kan niet anders. Taal
en beelden uit een toekomstige tijd waren uiteraard niet beschikbaar en zouden
ook niet begrepen zijn. Daarom taal en beelden uit die tijd. Ook wij kunnen, als
wij willen en ons de inspanning getroosten, toegang krijgen tot deze beeldende
taal. Een adequate vertaling helpt daarbij erg veel. Daarom mijn blijdschap over
de nieuwe vertaling van het Nederlands Bijbel Genootschap.
In het
commentaar heb ik her en der andere gedeelten uit de Bijbel geciteerd, die m.i.
op dezelfde gebeurtenissen slaan. Zij tonen in het klein aan, welk een grandioze
eenheid de Bijbel is. Dat treft mij elke keer weer. Daarom verbaast het mij nog
steeds, dat veel van mijn gereformeerde geestverwanten dit niet vermogen te
zien. En nog steeds met betrekking tot Israëls en onze toekomst met blindheid
geslagen lijken te zijn.
Tekst Zacharia 12-14 uit de Nieuwe Bijbelvertaling
met toestemming van het NBG.
Copyright: Nederlands Bijbelgenootschap
Commentaar
12: (1) Profetie. De woorden van de HEER
over Israël.
Zo spreekt de HEER, die de
hemel heeft uitgespannen, de aarde gegrondvest heeft en de mens het leven
heeft gegeven: (2) Ik zal van Jeruzalem een beker wijn maken die de
omringende volken bedwelmt. Als Jeruzalem wordt belegerd, zal ook Juda
onder de voet worden gelopen. (3) Op de dag dat alle volken op aarde tegen
Jeruzalem oprukken, zal ik van de stad een zware steen maken, waaraan haar
belagers zich zullen vertillen. (4) Op die dag - spreekt de HEER
- maak ik de paarden schichtig en zaai ik paniek onder hun berijders. Over
Juda echter zal ik een wakend oog houden, terwijl ik de paarden van de
vijand verblindt. (5) Dan zullen de stamhoofden van Juda bij zichzelf
zeggen: Onze kracht ligt bij de inwoners van Jeruzalem,dank zij de HEER
van de hemelse machten, hun God. (6) Op die dag maak ik de stamhoofden
van Juda tot een fakkel in een takkenbos, tot een vonk in een korenschoof,
zodat de vlammen om zich heen grijpen en de omringende volken verzengen.
Jeruzalem zal blijven staan waar het staat.
(3) alle volken:
Er is wel gedacht aan de belegering door de Romeinen in
het jaar 70, maar de hele context spreekt duidelijk van een andere
gelegenheid.
Velen denken hier dan ook aan een belegering aan het
einde van de tijd. Dat is ook in overeenstemming met vele andere
profetieën en de gegevens die we vinden in het boek Openbaring.
(2) Jeruzalem wordt hier een beker wijn
genoemd die de omringende volken bedwelmt. Kijk maar eens naar het
Midden-oosten nu. Treffend, nietwaar?
(3) Dan lezen we dat de stad een zware
steen is, waaraan haar belagers zich vertillen. Ook deze uitspraak wordt
in de politieke praktijk van de laatste tijd steeds meer zichtbaar.
(5,6) Typisch is elke keer het onderscheid tussen Jeruzalem,
de stad, en Juda, het platteland. Typisch is ook de actieve rol, die het
platteland speelt bij de bevrijding.
(7) Eerst zal de HEER de dorpen van Juda de overwinning schenken, opdat de
roem van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem niet groter
zal zijn dan die van de Judeeërs. (8) Maar de HEER zal tegelijkertijd de
inwoners van Jeruzalem steunen: de zwakste onder hen zal op die dag zo
sterk zijn als David en het huis van David zal hen leiden alsof God zelf
hen leidde, alsof er een engel van de HEER voor hen uit ging.
De bevrijding van het platteland gaat vooraf aan de
bevrijding van de stad, zodat niemand zich boven de ander zal verheffen.
(9) Op die dag zal ik alles in het werk stellen om de volken uit te roeien
die Jeruzalem belagen. (10) Het huis van David en de inwoners van
Jeruzalem echter zal ik met mededogen vervullen en bereid maken tot
inkeer. Ze zullen zich weer naar mij wenden, en over degene die ze hebben
doorstoken, zullen ze weeklagen als bij de rouw om een enig kind; hun
verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon. (11) Op
die dag zal men in Jeruzalem zo luid weeklagen als er in de vlakte van
Megiddo wordt geweeklaagd om Hadad-Rimmon. (12) Het hele land zal rouwen:
de afstammelingen van David en de afstammelingen van Natan, (13) de
afstammelingen van Levi en de afstammelingen van Simi, (14) en alle
overige families, elke familie afzonderlijk en de vrouwen steeds
afzonderlijk van de mannen. 13: (1) Op die dag zal er een bron ontspringen waarin de nakomelingen van David
en de inwoners van Jeruzalem hun zonde en onreinheid kunnen afwassen.
De HEER gaat de verenigde legers die zich tegen
Jeruzalem verzamelen, ten onder doen gaan. Dat brengt de Jeruzalemmers tot
inkeer. Hun berouw betreft iemand "die ze hebben doorstoken".
Wij denken hierbij aan Jezus, hun Messias, die hen te hulp komt, en die
voor hen zichtbaar op de Olijfberg verschijnt (zie later). Opeens zien ze het.
"De rouwklacht van
Hadad-Rimmon". Slaat waarschijnlijk op de rouw die Juda bedreef na de
dood van koning Josia, die bij Megiddo stierf in een gevecht met farao
Necho (2 Kronieken 35:22-23). Heel Israël bedreef toen rouw over hem
(:24), Jeremia dichtte daarover een klaagzang die nog steeds in Israël
werd gezongen. Hadad-Rimmon is een plek in de vlakte bij Megiddo.
Over de bron die ontspringt wordt
verderop gesproken (14:8) en ook in Ezechiël 47. Hier wordt
waarschijnlijk niet op een fysieke bron gedoeld....
(2) Als die tijd aanbreekt - spreekt de HEER
van de hemelse machten - zal ik alle afgoden uit het land laten
verdwijnen; hun namen zullen niet meer worden genoemd. Ik zal ook de
profeten uitbannen en met hen de geest van onreinheid die het land
bezoedelt. (3) Wanneer er dan nog iemand een profetie uitspreekt, zullen
zijn eigen vader en moeder, die hem zelf hebben voortgebracht, tegen hem
zeggen: "Jij moet sterven, want je verkondigt leugens in de naam van
de HEER." Ze zullen hem
doorsteken, zijn eigen vader en moeder, die hem zelf hebben voortgebracht,
wanneer hij een profetie uitspreekt. (4) Dan zullen ze zelfs niet meer
voor hun visioenen durven uitkomen, die profeten. Ze zullen de
profetenmantel niet meer aantrekken om de mensen te bedriegen. (5) Ze
zullen zeggen: "Ik ben helemaal geen profeet; al van jongs af aan
bewerk ik als slaaf de grond." (6) En wanneer zo iemand gevraagd
wordt: "Hoe kom je dan aan die striemen op je rug?", dan zal hij
antwoorden: "Die heb ik opgelopen in het huis van mijn
meesters."
...maar op de aanwezigheid van de Messias in hun
midden. Die niet meer toelaat dat er valse profeten onder het volk zijn.
Die valse profeten draaien als een blad aan een boom om. Vroeger was je
gezien als valse profeet, maar nu is het levensgevaarlijk geworden...
(6) Valse profeten herkende je aan hun striemen, ze
kastijdden zichzelf. Zie over Elia en de priesters van Baäl op de Karmel,
(1 Kon. 18. "Toen riepen zij luider en maakten
zich naar hun gewoonte insnijdingen met zwaarden en speren, totdat zij
dropen van bloed." (vs 28)).
Over het uitbannen van goddeloosheid lezen we ook in
de (Messiaanse) psalm 101, waar staat: "(6) Mijn ogen zijn op de getrouwen in den lande om bij mij te wonen; wie
onberispelijk wandelt, die zal mij dienen. (7) In mijn huis zal geen
bedrieger wonen; de leugenspreker zal niet bestaan voor mijn ogen.
(8) Elke morgen zal ik verdelgen alle goddelozen des lands, en uit de stad des Heren uitroeien alle bedrijvers van
ongerechtigheid" (NBG-vertaling 1951).
De regering van de Messias is rechtvaardig, maar
streng. Zie ook psalm 2.
(7) Zwaard, ontwaak! Verhef je tegen mijn herder, tegen de man met wie ik
mij verbonden heb - spreekt de HEER van de hemelse machten. Dood de
herder, zodat de schapen verdwalen. Weerloos als ze zijn zal ik ze
treffen. (8) In heel het land - spreekt de HEER
van de hemelse machten - zal twee derde deel worden uitgeroeid en omkomen;
slechts een derde deel zal worden gespaard. Dat deel zal ik louteren in
het vuur: ik zal hen smelten als zilver en zuiveren als goud. Zij zullen
mijn naam aanroepen en ik zal antwoorden. Ik zal zeggen: "Dit is mijn
volk," en zij zullen zeggen: "De HEER
is onze God."
Dit tussengedeelte behandelt op een heel gecomprimeerde manier de achtergrond van het voorgaande:
"De man met wie ik mij
verbonden heb": de Messias, Jezus. Hij wordt gedood, de schapen
(Israël) dwalen. Dan komt de vernietiger (Rome in jaar 70), velen worden
gedood in de vreselijke strijd, velen als slaaf verkocht. Het volk Israël wordt over de volken verstrooid.
"In heel
het land" (beter: heel de aarde)
"wordt tweederde uitgeroeid". Tussen verstrooiing en terugkeer
is inderdaad 2/3 van het Jodendom uitgeroeid: dat is de situatie van de
Joden in de wereld, vooral nadat in Europa de kerk macht heeft gekregen,
pogrom na pogrom, culminerend in de moord op 6 miljoen Joden in Hitlers
gaskamers.
"In het vuur louteren",
dat ziet op de tegenwoordige tijd, na 1948, waarin Israël geen rust heeft
gekend, maar heeft moeten ondervinden dat alle krachten zijn vernietiging
actief nastreven. Bovendien wordt het door allen in de steek gelaten. En
het is inderdaad een loutering 'in het vuur' van raketten, mortieren en
zelfmoordaanslagen.
"Zij zullen
mijn naam aanroepen". Nee,
Israël is nog niet een volk van louter gelovigen, maar lees eens de
geschiedenis van de zionistische beweging. God is massaal aangeroepen. En
zijn niet het wonder van het nog steeds bestaan van de Joodse staat en de
onbegrijpelijke overwinningen de zichtbare kant van Gods uitspraak:
"Dit is mijn volk"? Hij neemt altijd het voortouw. En
Israël volgt. Op Yom Kippur rijdt zelfs in Tel Aviv geen auto meer, allen
zijn in de synagoge en smeken om Gods vergeving en bijstand. "De HEER
is onze God"is steeds meer zichtbaar in Israël.
14: (1) Er komt een dag dat de HEER zal ingrijpen, Jeruzalem, dat men de buit
binnen je muren verdeelt. (2) Ik zal alle volken bijeen brengen, zegt de HEER, om tegen Jeruzalem ten strijde te trekken. De stad zal worden
ingenomen, de huizen geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de
inwoners wordt in ballingschap weggevoerd, maar het deel dat overblijft
zal niet worden uitgeroeid. (3) Daarna zal de HEER uittrekken en de strijd
tegen die volken aanbinden, net zoals weleer. (4) Die dag zal hij zijn
voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal
in tweeën splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere
naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west. (5)
Jullie zullen wegvluchten, het dal in tussen die twee bergketens die
zullen reiken tot aan Asel, zoals jullie ook gevlucht zijn bij de
aardbeving in de tijd dat koning Uzzia regeerde over Juda. En de HEER,
mijn God, zal verschijnen aan het hoofd van zijn hemelse machten. (6) Op
die dag zal er geen licht zijn; de hemellichamen verliezen hun glans. (7)
Op die ene dag, die alleen de HEER kent, zal er geen onderscheid zijn
tussen dag en nacht. Pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht
gloren. (8) Als die tijd aanbreekt, zal er in Jeruzalem zuiver water
ontspringen: de ene helft zal in het oosten in zee uitmonden en de andere
helft in het westen, zowel in de zomer als in de winter. (9) En de HEER
zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en
zijn naam de enige naam. (10) Het hele land wordt zo vlak als de
Jordaanvallei, van Geba in het noorden tot Rimmon in het zuiden. Maar
Jeruzalem zal zijn hoogverheven plaats behouden. Van de Benjaminpoort tot
aan de oude poort, de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot aan de
koninklijke perskuipen zal de stad bewoond zijn. (11) Jeruzalem zal weer
een veilige woonplaats zijn, want er zal nooit meer vernietiging over
worden afgeroepen.
Nu volgt een tamelijk gedetailleerd beeld van de strijd
tegen Jeruzalem, waarbij de bevolking opnieuw zeer zal lijden. Maar dan
grijpt de HEER zelf in.
Hij verschijnt als leider van de
hemelse machten (Openbaring 19:14, het gaat hier over de Messias, Jezus)
en staat op de Olijfberg (zie Handelingen 1:12 en 11), vanaf welke plaats
hij de strijd aanbindt tegen de verzamelde vijandelijke legers.
Inwoners van Jeruzalem kunnen
vluchten in de richting van Jordaan en woestijn (Matteüs 24:16, Openbaring
12:14), door een scheur in de Olijfberg. De ligging van Asel is onzeker,
ergens ten oosten van Jeruzalem.
(5) "..aan het hoofd van zijn hemelse
machten". Beter is: met zijn heiligen, zijn toegewijden.
Er zijn tekenen aan de hemel, zon,
maan en sterren geven geen licht (zie ook Matteüs 24:29 en diverse
plaatsen in Openbaring). Vs (7): "...een dag die alleen de HEER
kent", zie ook Marcus 13:32, Handelingen 1:7.
God wordt - in zijn Messias Jezus -
koning over de hele aarde, het zal een rechtvaardig koningschap zijn.
Daarvan spreken ook de psalmen 93, 96, 97, 98, 99, 101. Psalm 94 spreekt
van de zware tijd vóór de bevrijding. In Openbaring 20 vinden wij weer
enkele andere aspecten van de rechtvaardige regering van de Messias.
Over herbouw en bewoning van Jeruzalem wordt ook gesproken
in Jeremia 31:38-40. Het wordt weer opgebouwd en nooit meer verwoest.
(12) De volken die tegen Jeruzalem ten strijde zijn getrokken zullen door de
HEER worden getroffen met een afgrijselijke plaag: terwijl ze nog levend
rondlopen zal Hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten
wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond. (13) De
HEER zal op die dag zo’n paniek onder hen zaaien dat ze elkaar
beetgrijpen en slaags raken. (14) Ook Juda zal zich mengen in de slag om
Jeruzalem. De rijkdommen van de belagers zullen als buit bijeen worden
gebracht: grote hoeveelheden goud, zilver en kostbare gewaden. (15) En
alle dieren in het vijandelijke kamp, paarden, muildieren, kamelen en
ezels, zullen worden getroffen door dezelfde plaag als de mensen.
Nu gaat de aandacht weer naar de vijandige volken. Zij
worden vreselijk gestraft. God zegt: "Wie U (Israël) aanraakt, raakt mijn oogappel
aan" (Zacharia 2:8). De volken hebben dat niet geloofd.
In Openbaring 19:17-18 worden de
roofvogels opgeroepen zich tegoed te doen aan het vlees van de verslagen
vijanden. Iets dergelijks vinden wij in Ezechiël 39:4, al is het niet
helemaal duidelijk of het daar over dezelfde gebeurtenissen gaat.
Sommigen hebben erop gewezen, dat
deze straf lijkt op de gevolgen van het gebruik van neutronenwapens, die
ook eiwitten consumeren.
(16) De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, zullen dan
jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als koning
te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren. (17) En is er op aarde een
volk dat niet naar Jeruzalem komt om de HEER van de hemelse machten als
koning te vereren, dan zal er in dat land geen regen vallen. (18) Ook
Egypte zal, wanneer zijn volk niet naar Jeruzalem komt, stellig getroffen
worden door deze plaag, waarmee de HEER de volken straft die het
Loofhuttenfeest niet komen vieren. (19) Dat zal de straf zijn voor Egypte
en de andere volken die niet deelnemen aan het Loofhuttenfeest.
Ook in Jesaja 66:23 wordt gesproken over de overwonnen
volken die zich voor de HEER
(in Jeruzalem) komen neerbuigen om de Joodse feesten te vieren. Typisch
is, dat hier ook Egypte wordt genoemd als land waarop als straf geen regen
zal vallen. In Deuteronomium 11:10-11 wordt juist gezegd dat Egypte geen
regen nodig heeft (het wordt bevloeid door de Nijl) en Israël juist wel.
Hier is Egypte kennelijk ook van regen afhankelijk geworden. Zie ook
opmerkingen in Openbaring over zonnehitte en het opdrogen van de Eufraat
(de grote angst van Syrië en Irak!!). Smelten van gletsjers die rivieren
met water voeden,
doet zich al langer voor.
(20) Als die tijd aanbreekt, zal zelfs op de bellen van de paarden staan:
“Gewijd aan de HEER”. De kookpotten in de tempel zullen dienen als
offerschalen voor het altaar. (21) Alle kookpotten in Jeruzalem en Juda
zullen aan de HEER van de hemelse machten gewijd zijn: ieder die wil
offeren, kan ze gebruiken om er zijn offer in te bereiden. Als die tijd
aanbreekt, zullen er nooit meer handelaars zitten in de tempel van de HEER
van de hemelse machten.
In die tijd, als de HEER
koning is geworden over Israël en de wereld, bestaan er geen aparte
heilige dingen meer. Alles is heilig, zelfs de gewoonste en meest profane
dingen (bellen van de paarden: deze dieren waren aan de oorlog gewijd!).
Nehemia en Jezus joegen de
handelaren uit de tempel. Dat handeldrijven was een teken dat het heilige
met het onheilige werd vermengd. Uit Openbaring 20 weten we, dat in die
periode Satan gebonden is en van het toneel verwijderd.